a. Gegeven zijn de punten A(-2,1) en B(2,-1). Teken een assenstelsel met deze punten erin. Arceer het gebied waarvan de afstand tot A kleiner is dan 3 en de afstand tot B kleiner dan 4.
b. Gegeven zijn de punten A(-1,0), B(1,2) en C(-1,1). Door AB gaat de lijn l en ⊙(C, 2 cm). Teken deze punten en de lijn in een assenstelsel. Arceer het gebied met afstand tot C < 2 cm en afstand tot de lijn l < 1 cm.
Uitwerking:
a. Zie de uitwerking in figuur 1. Teken allereerst een assenstelsel en zet hier de punten A en B in. Teken dan heb gebied waarin de afstand tot A kleiner is dan 3. Dit doe je door een cirkel met straal 3 te tekenen met als middelpunt punt A.
De tweede voorwaarde is dat de afstand tot punt B kleiner is dan 4. Maak daarom ook een cirkel met een straal van 4 en als middelpunt punt B. Het gebied dat aan beide voorwaarden voldoet is het antwoord op deze vraag.
b. Zie uitwerking in figuur 2. Teken een assenstelsel en zet hier de punten in. Trek vervolgens lijn AB. Je bent opzoek naar punten die een afstand van minder dan cm van punt C afliggen. Hiervoor maak je een cirkel met straal 2 en punt C als middelpunt. De tweede voorwaarde is dat de punten maximaal 1 centimeter van lijn AB afliggen. Hiervoor teken je aan beide kanten van de lijn een evenwijdige lijn die 1 centimeter van lijn AB afligt. Het gebied dat zowel binnen de lijnen als binnen de cirkel ligt, is het gebied dat wij zoeken.